• Maria Congregatie St Henricus naar Mariaspel te Halle, Rumbeke, 1946
Maria Congregatie St Henricus naar Mariaspel te Halle, Rumbeke, 1946
Maria Congregatie St Henricus naar Mariaspel te Halle, Rumbeke, 1946
Maria Congregatie St Henricus naar Mariaspel te Halle, Rumbeke, 1946

Maria Congregatie St Henricus naar Mariaspel te Halle, Rumbeke, 1946


Objectnummer
WD20180214_012
Beschrijvende notitie

Vier zomersche uren te Halle: De zooveelste opvoering van het Mariaspel

De hoeveelste opvoering was dat? Ik weet het niet meer, er komt geen einde aan de rush naar Halle. Elken zomerdag van dit jaar jubelen de klokken over de stad om elke stedeling en vreemdeling te zeggen dat het spel tot Maria's eere nog eens begint. Ge zit tusschen een interprovinciaal publiek, er zijn toeschouwers van de vier windstreken, en ge merkt dadelijk op; er zit geen Valenter in, integendeel: de binnenzaal is verbouwd en is er stijlvoller en praktischer en zelfs stiller door geworden, er is ook wat meer eenheid gekomen in de versiering van de zaal, want ge hebt het recht veeleischend te zijn: hier moet de formuul worden ontdekt van de feestzaal die 50 procent kerk en 50 procent schouwburg is. Het orgel en de opengevouwen menigte van koor en ingetogenheid en als de leden van het groot orkest, stemmen U onmiddellijk tot feestelijke orkest zich nog wat tuchtvoller en vromer hielden zou onze achting voor dit zeer schoon, zeer verheffend, en kunstrijk vertoon, er nog grooter op worden.

Alle defaitisme in onze katholieke tooneelwereld ter zij, nergers is er met zoo argelooze en zuivere bedoeling aan mysteriespelerij gedaan als te Halle, en nergens is het resultaat zoo glorieus en zoo duurzaam als te Halle. Ik heb de jongste maanden treurigheden beleefd in de wereld van ons toonee, maar wat te Halle blijft rechtstaan, in bloei, onder zichtbaren zegen van den Hemel, maar zoo'n kleine tocht naar het bevallige Halle - een nanoen van gebed, van hymne, in tooneelvorm, gezang en luister, het geeft moed.

Ik geef altijd graag dit Mariaspel aan als de proloog voor de katholieke tooneelontwaking in het Vlaamsche land en ik ben vast overtuigd dat het dit voluit is geweest. De man wien we dit te danken hebben is nu in den hemel, Z. E. H. deken Michiels en hij heeft ons het eerste groot bewijs gebracht van de roeping van dienend tooneel. Dienend tooneel dit is het uitgangspunt geweest voor het katholiek tooneelrenouveau, en voor zijn bekroning: het Vlaamsche Volkstooneel. Dit Mariaspel behoort tot één stad, het maakt deel uit van het leven der stad; het is tenslotte niets dan een nieuw bewijs van de eeuwenoude liefde welke in deze vermaarde en aloude Brabantsche stad naar de Lieve-Vrouwe opgaat, en steeds andere vormen zoekt om Maria te prijzen en te eeren. Naar het voorbeeld der Brusselsche rederijkers die de Blijdschappen van Onze-Lieve-Vrouw voor het geloovig volk van Brabant vertoonden op de Groote Markt van Brussel, heeft op initiatief van den Deken van Halle: Kanunnik Michiels, de vrome bevolking besloten om de vijf jaren Maria's lof te verkondigen in een feestelijk mysteriespel dat de Moeder Gods verheerlijkt in haar leven. De dichter Aloïs Walgrave, zaliger gedachtenis, die zich zoo gaarne de leerling en de minnaar noemde van Guido Gezelle en reeds geestelijke spelen had gedicht; "Vrede op Aarde", en de "Blindgeborene" nl., heeft tekst en speelvorm geleverd voor het Mariaspel. En de hartstochtelijke ijveraar voor nieuwen bloei van den geestelijken zang: Alfons Moortgat, dichtte de meeslepende muziek van dit mysteriespel.

In 1910 werd het spel voor het eerst vertoond en van den beginne af is dit werk geweest van gansch de stad: geen huis is er te Halle, waar de kristelijke geest nog woont, of het helpt, het werkt, het steunt, het speelt of [???] mee. Het is telkens een werk vol wijding dat Halle met dit Mariaspel verricht, en het is wel ontroerend om bedenken dat de eerste opvoering heeft plaats gehad den dag waarop de eerste maal 20 jonge knapen en meisjes van Halle het decreet van den Paus op de Communie der kinderen hebben vervuld. van de communietafel naar het mysteriespel: daar waren zij herdersknapen en kinderstemmen in het volkskoor. Reeds het jaar der eerste opvoeringen werd voor het vertoonen van het gewijde spel een eigen zaal gebouwd welke Mariazaal werd geheeten. Daar gaat ook dit jaar weer de aangekondigde reeks opvoeringen door, al worden nu de wanden der zaal te eng voor den toeloop van de menigten.

Na den oorlog werd het spel hervat bij het jubileum der kroningsfeesten van het wonderdadig beeld. Dit jaar voor het zilveren jubileum van Kanunnik Michiels als deken, maar eer het voetlicht brandde voor de eerste vertooning, ontsliep hij.

En uit het mysteriespel is de Mariastoet gegroeid welke thans tweemaal per jaar op den Zondag van Sinksen en op den eersten Zondag van September het leven der H. Maagd ontrolt in de straten zelf, voor het oog en tot stichting der toegestroomde menigte van pelgrims en kermisvierders. Niet slecht door het [???] koloriet, door groep en kleedij en zinrijk opschrift, verheerlijkt deze Mariastoet de goddelijke Moeder van ons volk maar de geestelijke zang in dezen stoet heeft zijn weerga niet in de nochtans zoo talrijke processiën en gewijde stoeten die elken zomer door tal van Vlaamsche steden slingeren.

Dus werd hier op volledige wijze een erfdeel onzer vaderen heropgewekt: drama met katholieken zin, en daaruit ontsproten; een beeldige stoet, en dit drama zoowel als dezen stoet: rechtstreeksche aanvulling van kerkelijke plechtigheden. Hier is een mysteriespel te zien dat wordt op touw gezet door het volk en zijn priesters en kunstenaars. Zoo heeft het Mariaspel te Halle ongetwijfeld op grootsche wijze geholpen om in ons land de heerlijke traditie van de mysteriespelen en andere geestelijke dramatische vertooning weder te doen ingang vinden en in de volksgunst te prenten. Men mag aldus dit Mariaspel en de pogingen van Pastoor-Deken Michiels aanvaarden als van onschatbare waarde voor de weergeboorte van ons kristelijk tooneel.

Waarheen lokt U de Augustusmaand? "Beatrijs" in een wonderen kasteeltuin bij Gent, "Antigone", als vredesspel in Den Brandt bij Antwerpen; de "Slag bij de Hertshaag" te Aalst; een verre reis naar Salsburg, de Caesar of de Revisor of de Antigone op plein en markt of in het park waar het Vlaamsche Volkstooneel dapper zijn tent en vlag ontplooit onder kermiszon en -regen? Vergeet niet de rit naar Halle, en vrees geen ontgoocheling meer voor uw artistieke overtuiging. Waar vroeger enorm veel geloof, goeden wil, liefde en enthousiasme, bezielende muziek en ook eenig talent, maar toch heel wat kunstmiddelmatigheid aanwezig was, treft U nu een bewonderenswaardige vermeerdering van het tooneelgehalte, er zit bewustzijn en eenheid van stijl in het vertoonde. Misschien is U niet akkoord mer de ingevoerde hervorming van het tooneelbeeld, vindt U het te modern of meent U dat de modernist die als regisseur optrad, halfweg is blijven staan? Het mag U niet hinderen, aanvaard deze hervorming van het tooneelbeeld als een eerlijke, grootendeels geslaagde poging om eenheid en zuiverheid van beelding, en van toon, te brengen in dit schoone spel, zonder het aanvankelijk opzet te schaden. Aan de St-Sulpice-stijl is adieu gezegd, maar tot aan Servaes kon men te Halle niet gaan.

Wij prijzen deze gematigde moderniseering en de gelukkige disciplien die eenheid bracht: dit geheel van muziek, dichting, spel, beeld en kleur, en zeggen U met alle overtuiging:

Gaat naar Halle, volgt den weg die volk en vorsten en veelvuldige adellijke geslachten van Europa sedert eeuwen gaan: naar Halle toe. Nu wij strijden om uit de zuiverste en nobelste traditiën ons dierbaar volk weer zijn eigen gedaante, te herschenken, laten we dan ook deze traditie hervatten: allen naar Halle, heiligdom van Maria, zoete bron temidden het huppelende Brabant, - eens per jaar! Voor Halle getuigen onze kunst en onze wetenschap, voor Halle getuigen tallooze grooten uit onze geschiedenis, en Justus Lipsius heeft met recht over het kleine wondere Halle gezegd: noch hare vestingen, noch hare gebouwen trekken de aandacht, de heiligheid der plaats is voldoende voor hare veiligheid en haren luister. Onder de schaduw en de hoede van een kerk die gelden mag als een meesterstuk der Vlaamsche kerkenbouwers, een prachtvoorbeeld van rijke gothische kunst, opgetrokken door de vrijgevigheid der pelgrims, de edelmoedige schenkingen van Willem van Beieren, graaf van Henegouwen, en van Jan den derde, hertog van Brabant, versierd met kostbaarheden gebracht of gezonden door koningen en koninginnen, keizers en pausen, troont daar het wonderdadig zwarte Lieve-Vrouwenbeeld, afkomstig van een der dochters van de Heilige Elisabeth van Hongarije. Daar is roem te Halle, adel, geestelijk, vuur en pittig volksleven. Daar leeft een kruimige bevolking, geplet tusschen taalgrens en Brussel, maar eeuwen en overheerschingen zijn over haar heengegaan: zij is zichzelve gebelven, Vlaamsch met ronden Brabantschen zwier; onder den sluimer der tijden heeft zij hare ziel bewaard en met dit Mariaspel heeft zij zich weer opgedrongen aan de aandacht der buitenwereld: want niet allen Vlamingen en vele Walen, ook talrijke scharen uit Nederland, Frankrijk, Duitschland, en nog van veel verder, stroomen naar Halle toe, om er met liefde, geloof en hoop het goede volk te zien spelen: het spel van Maria's leven. Guido Gezelle ook behoorde tot de vereerders van Onze-Lieve-vrouw van Halle en voorzeker heeft haar aanminnig beeld in zijn oog gespiegeld wanneer hij bezield dichtte:

"Gij zijt gezeteld op ons allen; Uw edel beeld kon eenmaal vallen. Doch onze herten duizendtallen. Ontvielt gij nooit een enklen keer. Gij zijt, Maria, nog op heden Hetgeen gij waart in 't groot verleden Spijts alle mede- en tegenheden: Des Vlamings Moeder immer meer".

Hugo Verriest wedijverde met Gezelle in deze vereering tot de goedertieren Lieve-Vrouw van Halle eens had hij zelf een grootsch ontwerp opgevat: dat van een ommegang van O-L Vrouw van Halle, door gansch West-Vlaanderen naar hun heiligdom. En deze Zomerzondagen gaat nu weer het spel en luidt de zooveelste maal weer Walgrave's aanhef, die een Hallenaar nooit onbewogen beluistert of meezingt en meebidt:

Allerzoetste Vrouw, O Moeder, ongeschonde Maagd, die zuiver zijt van af uw eersten stond, Hemelkoningin, laat onze lippen konden uwe heerlijkheid, die nooit haar weerga vond. Laat ons vrome spel aan 't christen volk vertoonen. Uw geheimnisvol en deugdenvol bestaan. Dat hun herten U met lof en eere kronen, en getrouw met U en uwe Zone gaan".

Dan rijst weer het doek, spelers en volk zijn door kunstoefening en gebed lange weken voorbereid op een schoon vervullen van hun werk, vol overgave. E. H. Van Genechten houdt de regie in handen met de medehulp van Eerw. Heer Jan Petre, terwijl Eerwaarde Heer Wuyts koren en muzikanten heeft voorbereid op hunne kunstvolle taak. Bij afwisseling ziet men de toondichter en E. H. Wuyts den dirigeerstok in handen houden.

Veel is er geschreven over den kostbaren schat van Halle. Hoe wonder en glorieus ook parels en kronen en edelgesneden beeldhouwwerk en gouden rozen voor het beeld en de verering der Allerheiligste Maagd mogen zijn, hoeveel glorie uit Halle de musea der wereld ook bevatten, schooner en onvergankelijker is de schat van liefde die woont in het hart van elk Hallenaar en die zich ongemeten uitstort in dit spel: tooneel en lofzang. Daar worden dan allen verwacht die mede Maria dienen, en die gaarne op nieuwe wijs de Testamentische voorspelling herhalen en helpen verwezenlijken: Magnificat! Alle geslachten zullen mij zalig prijzen.

En wat moet ik daar nog aan toevoegen?

Ik wordt geïnterpelleerd, men vraagt mij: "Wat zegt U van het uitzicht dat de vertooning nu heeft, wat zegt U van spelers en muzikanten en zangers, wat van de engelen en wat van de soldeniers? Eilaas! ik kan niet schrijven dan wel met mijn hart en men zegt dat dit steeds misleidt, ik ben Hallenaar en als er twee duizend menschen met de krop in de keel dit schallend eind-Magnificat meezingen dan ben ik er altijd een beetje trots op dat Halle dit volbrengt. Maar nu kan ik ook mijn overtuiging laten meespreken: het hoogstverdienstelijk dillettantisme van vroeger is in koor, orkest, orgel en zang, streng geoefend voornaam beroep geworden, de toondichter heeft veel van zijn accenten en zangen verhevigd, de kleuren der engelengewaden zijn voornamer van kleur en glans geworden en ik herinner me den glinsterenden engelenval over het besneeuwde Kerstmisveld waarin één Timmermanstoon tusschen fijnen eenvoud te vinden was, als een blijvend schoon tooneelmoment; ik heb oprecht achting voor de volgehouden styleering, het bewustzijn van den regisseur, elk oogenblik van het spel; oprechte achting voor het doeltreffend lichtgebruik, voor het monteeren van elk tafereel. Dat de Christus mij te gepommadeerd spreekt en handelt in het tweede deel terwijl de kleine Christus in den tempel voortdurend tiert; het zijn ondergeschiktheden; ik vergeef het gauw voor de elegante rythmen op de lippen der aanleidsters van de engelen, Mejuffrouwen De Koster en Ghesquiere voor de bevallige argeloosheid der aandoenlijke Maria; ik zal verder geen namen noemen dan de voortreffelijke solisten E. Walravens en M. Mertens, Mejuffrouw Kort en Mevr. Coulon. Wat dient het namen te noemen uit dit collectief bereiken; laten we Halle loven, zijn geestelijkheid, zijn volk en zijn kinderen, zij ontwapenen mij als criticus, als recensent, zij dwingen mij om eenvoudig te zijn: de man in de zaal die als het doek is gevallen aan niets meer denkt dan met een klein bewogen gebed de Halsche spelers en zangers te danken en den dichter mede (mijn eerbied voor zijn volkschen zuiveren tekst is niet verminderd). Want terwijl ge buiten schuift naar de straat met den gillenden tram onder den zomerhemel, zeggen twee duizend menschen met velerlei woorden: het was een weldadige Zondag en vier uren is zoo kort.

Bron: De Standaard, 1931-07-30

 

Auteursrecht
in copyright – non-commercial use permitted

Lees meer over de rechtenstatus in de disclaimer
Plaats
Roeselare > Roeselare - Rumbeke (is vervaardigd in)

Deze websites maakt gebruik van cookies Accepteer.